Nieuw

Reizen tijdens de eerste kruistocht


Het begrip van reis, zoals we het vandaag de dag begrijpen, is de verplaatsing van een persoon naar een verre regio een origineel fenomeen in de middeleeuwen. Hiermee bedoelen we degenen die de via nemen, de landroute om van de ene plaats naar de andere te gaan. We spreken liever van een peregrini, van een 'pelgrim' om degene te kwalificeren die deelneemt aan de Kruistocht, of Hierosolymitani, de gebruikelijke naam die wordt gegeven aan degenen die naar Jeruzalem gaan. De directe actoren van deze expeditie noemen zichzelf zo, de term kruistocht bestaat nog niet (1).

In de 11e eeuw waren de verplaatsingen van de bevolking over het algemeen slechts het onderwerp van reizen over korte afstanden: het naburige dorp, een markt, een kermis, zelden verder weg. De heren en de ridders ondernemen zelf geen lange reizen als ze oorlog voeren, de militaire dienst die een vazal aan zijn heer verschuldigd is, duurt niet meer dan veertig dagen per jaar. De kruistocht gaat daarom naar de antipoden van de gebruiken van de feodale samenleving van die tijd. Het vereist een lange reis, een peregrinatio, waar soldaten, geestelijken en niet-strijdende pelgrims samen moeten komen, meestal uit arme en boerenachtergronden.

Religieus of seculier leger? Hoewel de kruisvaarders in dienst van God staan, vandaar hun naam Miles Christi, voert geen enkele hoogste leider het leger aan. Paus Urbanus II, religieus leider, predikt de kruistocht terwijl hij in het Westen blijft. De Byzantijnse keizer Alexis Comnenus weigert de uitvoering van de kruistocht te verzekeren, ondanks dat zijn benoeming verschillende keren is voorgesteld door de leiders die de expeditie leiden. De echte "leiders" van deze operatie zijn gezamenlijk mannen van de kerk en leden van de adel, degenen die historiografen "nachtkastjes (2)" noemen.

The Crusade: een internationale onderneming

Strikt genomen zijn er twee soorten legers, die van de zogenaamde "armen" aan de ene kant en die die gewoonlijk "van de baronnen" worden genoemd aan de andere kant. De eerstgenoemden zijn geen gewone legers, maar bestaan ​​uit menigten die in de overgrote meerderheid niet-strijders zijn, aangewakkerd door de aansporingen van de verspreider, de populaire predikers, geïllustreerd door de figuur van Peter de kluizenaar. De legers, die we "baronial" noemen, worden geleid door lekenheren, landeigenaren en bestaan ​​voor een groter deel uit strijdende elementen.

De belangrijkste rekruteringsgebieden van de eerste kruisvaarders bevinden zich in Frankrijk, in het zuiden van Italië en in het zuidwesten van het Heilige Rijk. De paus predikte persoonlijk tussen 1095-1096 in het zuiden en westen van Frankrijk, waar de deelname van de edelen en hun vazallen de belangrijkste was. Populaire predikers hadden meer succes in het oosten, in de regio's Schwaben en Franken. De toespraak van de paus in Clermont, zoals gerapporteerd door Willem van Tyrus, suggereert dat de paus een massale deelname "van alle christenen" wilde. Foucher de Chartres, die deelnam aan de Raad, meldt dat “driehonderd tien bisschoppen of abten” aanwezig zijn (3). Deze mannen en vrouwen uit verschillende landen zullen dan thuis prediken. Er wordt gezegd dat de snelheid waarmee het plan van de kruistocht zich in het Westen verspreidt, overweldigend is, en de deelname van de mensen overtreft de hoop van de paus ver. Voor Robert le Moine is deze boodschap aan de hele wereld bekend: "overal was bekend dat de pelgrimstocht naar Jeruzalem in dit concilie was besloten" (4).

Donatie en wederzijdse hulp: de materiële vertrekvoorwaarden.

Op kruistocht gaan kan niet zonder eerst de nodige middelen voor de reis te hebben verzameld. De kosten voor voedsel, rijdieren en uitrusting zijn hoog; velen geven alles op wat ze bezitten. De oproep van de kerk vereist een echt offer, zelfs als de paus heeft beloofd dat “de goederen van degenen die vertrekken onder de hoede van de heilige kerk zouden blijven; en degenen die hem kwaad wilden doen, zouden worden geëxcommuniceerd ”(5).

Om de meest behoeftigen te helpen, zorgt de adel voor een deel van hun behoeften. Zo acht Raymond de Saint Gilles, de rijkste van de kruisvaardersprinsen, zichzelf verplicht de pelgrims te steunen en besteedt hij aanzienlijke bedragen aan hen. Guillaume de Tyr beschrijft hoe de feodalistische relatie evolueert volgens de originaliteit van het bedrijf: de armen besluiten om hun trouw aan een bepaalde baron te geven in ruil voor "zijn hulp en bescherming onderweg" (6). De meest behoeftigen vinden ook hulp van de kerk. Deze donaties zijn nodig voor het voortbestaan ​​van de legers. Tijdens de schermutseling tussen de Bulgaren en de troepen van Peter de Kluizenaar bij de stad Nish (ten noordwesten van de stad Sofia) verloor deze laatste een tank, geladen met het geld dat hun was gegeven. in Frankrijk om de armsten in het leger te helpen.

Degenen die vertrekken, hebben geen idee hoe lang het duurt om deze pelgrimstocht te voltooien, noch hoe ver ze van Jeruzalem verwijderd zijn. In een brief geschreven door Etienne de Blois, tijdens de belegering van Nicea in mei 1097 aan zijn vrouw Adele van Engeland, schreef laatstgenoemde dat het leger "ongeveer vijf weken nodig zou hebben om in Jeruzalem te komen (7)" . Het duurt meer dan twee jaar om deze reis te voltooien. Foucher de Chartres ensceneert het vertrek van een "echtgenoot die zijn vrouw het precieze tijdstip van zijn terugkeer aankondigt en haar verzekert dat hij haar land en haar na drie jaar terug zou zien als hij zou blijven leven (8)".

De motivaties van de kruisvaarders

Het kruisvaardersleger bestaat uit vrijwilligers. De redenen om te vertrekken zijn divers. In de eerste plaats kan de gelofte van een kruistocht deel uitmaken van de klassieke logica die pelgrimstocht bepleit als boetedoening voor fouten. Volgens de historicus Laurauson-Rosaz hadden alle heren van het zuiden die het kruis namen min of meer iets om zich voor te schamen (9) ”. Zoals de historicus Jaques Heers terecht zei: 'Het zou te schematisch zijn om de prinsen te laten zien die een gemeenschappelijk doel nastreven, dat het nemen van het kruis niet inhield dat men zich op dezelfde manier moest onderwerpen aan de bedevaartgelofte of alles zou vergeten. politieke overweging en dromen van verovering (10) ”. Prinsen als Bohemond van Tarente en Baudouin du Bourg besluiten het kruis te nemen omdat hun vaderland hen geen toekomst biedt, terwijl ze in het oosten koninkrijken kunnen uithakken. Als ze vertrekken, nemen ze hun vrouw en kinderen mee, een bewijs dat ze niet van plan zijn terug te keren.

Voor ridders kan de kruistocht als een zegen overkomen. In het Westen vereisen de bewegingen van Vrede en Bestand van God, ingesteld door de pausen, "te werken om vrede te sluiten in oorlogen en om lange wapenstilstanden op te leggen" aan de krijgsadel. De kruistocht is een manier om dit geweld voor een rechtvaardige zaak te gebruiken: om christenen en hun erfgoed te verdedigen. Michel Balard legde uit hoe de territoriale fragmentatie, geassocieerd met een fenomeen van overbevolking, heeft geleid tot de verarming van individuen, vooral onder landeigenaren: “De Franken bewonen een klein en arm gebied tussen zee en berg dat de inwoners nauwelijks kan voeden (11 ) ”. Hij ziet in het bijzonder de oorzaak van de interne oorlogen waardoor de edelen elkaar verscheurden, en een van de factoren die leidden tot het massale vertrek van de kleine adel naar de kruistocht tussen 1095 en 1096. In een tijd waarin geweld de neiging had om achterhaald te raken. , de kruistocht geeft de mogelijkheid om een ​​afnemende sociale categorie, ridderlijkheid, nuttig te maken en dus te bestaan.

Urban II deed een beroep op leden van de geestelijkheid om de legitimiteit op het internationale politieke toneel te herwinnen. Ze zijn verantwoordelijk voor het waarborgen van de bescherming van de goederen en de gronden van de mannen die op kruistocht gingen, door ze onschendbaar te maken: "degenen die daar schade zouden aanrichten, zouden worden geëxcommuniceerd". Het zijn ook de bisschoppen en aartsbisschoppen die het recht hebben om degenen te kiezen die wel of niet fit zijn. Robert le Moine, aanwezig op het concilie van Clermont, informeert ons meer precies over de status van deze religieuzen, door te zeggen dat "het noch voor priesters noch geestelijken, ongeacht hun bevel, is toegestaan ​​om zonder te vertrekken. verlof van hun bisschop, want als ze daarheen gingen zonder dit verlof, zou de reis voor hen nutteloos zijn (12) ”. Wat de strijd betreft, heeft de paus op het concilie van Clermont duidelijk gedefinieerd dat een man van de kerk niet het recht heeft om wapens te dragen. De prelaten zijn er om de leken te begeleiden en de pelgrimstocht van spirituele aard te verzekeren. Op het slagveld spelen priesters een rol van hulp en troost.

De kleine geestelijkheid, bestaande uit monniken en priesters, stelt de kruisvaarders in staat om een ​​sterke band met hun spiritualiteit te behouden. Ze zijn zeer talrijk en bieden diensten die gelijkwaardig zijn aan de diensten die ze gewoonlijk verlenen: ze zeggen de mis, biecht, bidt en preekt (13). Het vooruitzicht om op hogere kerkelijke posten te worden benoemd, kan ook een verklarende factor zijn voor zo'n massale deelname van lagere geestelijken. "Een geestelijke die op bedevaart kwam met hertog Godefroy, die uit hetzelfde land kwam", wordt gewijd door de laatste aartsbisschop van de stad Caesarea (14). De voorbeelden van Pierre Barthélémy (15), die, nadat hij de Heilige Lans in Antiochië heeft gevonden, een van de meest beluisterde mannen in het leger wordt, en die van Peter de Kluizenaar, die 'naar de Here God is, degene in wie ze (de mensen) waren dankbaar dat ze zich zo energiek hadden ingespannen om hen te bevrijden (16) ”zijn ook voorbeelden van de macht die bepaalde religieuzen tijdens de kruistocht konden verwerven.

Een landbedrijf

Om logistieke redenen verdient het de voorkeur dat de verschillende legerkorps afzonderlijk evolueren. De eerste hergroepering moet plaatsvinden voor de stad Nicea, gelegen tegenover Constantinopel, wat in het voorjaar van 1097 plaatsvindt (17). Het eerste leger, onder bevel van Gautier-Sans-Avoir, een Franse ridder, arriveerde daar op 1 augustus 1096 en het laatste, geleid door Robert, hertog van Normandië met de heren van Noord-Frankrijk, trok pas op 14 mei Constantinopel binnen. 1097 (18).

Er zijn drie hoofdwegen die worden gebruikt om Constantinopel te bereiken. De eerste, die vertrekt vanuit het noorden van Frankrijk of het Heilige Roomse Rijk, afhankelijk van waar de verschillende legers zich verzamelen, doorkruist Duitsland en Hongarije. De zuidelijke route loopt door Lombardije, Veneto en de Balkan en bereikt Constantinopel door het Byzantijnse rijk over te steken via de Via Egnatia, de oude Romeinse weg. De laatst mogelijke route, gekozen door de andere hoofden die de zuidelijke route nemen, is die welke de Adriatische Zee doorkruist om Albanië te bereiken. Hiervoor laten de havens van Bari en Brindisi het binnen vier dagen (19) toe om in Duras (Durazzo) aan te komen, en vooral om de lange en gevaarlijke weg door Dalmatië te vermijden, die door Raymond van Sint-Gillis wordt vastgehouden. De reis van deze stad naar Constantinopel vergt nog een maand lopen.

De belegering van de stad Nicea begon op 14 mei 1097, slechts negen maanden na de preek van de paus in Clermont. De kruistocht heeft dan meer dan tweederde van de weg voltooid die het uiteindelijk moet afleggen voordat het Jeruzalem bereikt. Het tweede deel van de reis vereist een reistijd die twee keer zo lang is, aangezien de heilige stad pas in juli 1099 wordt ingenomen. De reis ondernomen door de kruisvaarders, waarvan 15 augustus 1096 wordt erkend als de officiële vertrekdatum - zelfs Als we er rekening mee moeten houden dat in die tijd de populaire kruistochten al enkele maanden aan de gang waren - het duurt eindelijk drie jaar voordat het doel is bereikt. Van de tienduizenden mannen die het ondernamen (20), zijn er slechts "een paar duizend" bij de belegering van Jeruzalem, inclusief de versterkingen die tijdens de hele campagne over zee zijn aangekomen.

Moeilijkheden en gevaren van de weg

In de 11e eeuw, net als in de middeleeuwen, bleef reizen te voet de handigste manier om de stad te verkennen. De reis verloopt in etappes, de snelheid waarmee men van de een naar de ander gaat, kan variëren afhankelijk van het terrein, de toestand van de wegen, het seizoen, de fysieke toestand en het moreel van het leger. Jean Verdon geeft in zijn statistieken, afhankelijk van deze variaties, toe dat een leger tussen de tien en dertig kilometer bergopwaarts in de bergen kan afleggen, van dertig tot veertig tijdens de afdaling. In de vlakten varieert dit van tien tot zestig kilometer per dag - dit maximumcijfer zou alleen moeten gelden voor een troep te paard. (21) Als we het aantal kilometers afleggen dat de kruisvaarders afleggen in vergelijking met het aantal dagen lopend zien we dat ze tussen de dertig en vijfendertig kilometer per dag afleggen.

De voorkeur geven aan de landroute als onderdeel van een reis stuit op een hele reeks valkuilen. De eerste natuurlijke moeilijkheid houdt verband met het vloeibare element, wat inhoudt dat men gebruik moet maken van navigatie als er geen brug of doorwaadbare plaats is om over te steken. De angst voor water was in de 11e eeuw zeer wijdverbreid. Godefroy de Bouillon geeft er de voorkeur aan om de weg te nemen die Midden-Europa doorkruist, omdat hij niet verplicht is, zoals die in het zuiden door Italië snijdt, "over zee te gaan (22)". Raymond de Saint-Gilles geeft er ook de voorkeur aan om de zee niet te moeten nemen en neemt ondanks een zeer gevorderde winter de weg die Dalmatië doorkruist van Lombardije via de Balkan. Het kost hem veertig dagen om deze etappe te voltooien, terwijl vier of vijf voldoende zijn om de Adriatische Zee over te steken, wat getuigt van zijn scepsis over het idee om zijn leger over de zee te brengen.

De andere problemen waarmee de kruisvaarders worden geconfronteerd, zijn de bergetappes en de passages van passen. De paden, ongemarkeerd, steil, waar de wegen vaak kronkelig, overstroomd en modderig zijn zodra het begint te regenen, zijn des te moeilijker over te steken voor de zwaar uitgeruste kruisvaardersoldaten. Het klimaat wordt buitengewoon moeilijk in de doorkruiste landen, vooral wanneer het leger zich op de weg van het Anatolische plateau begeeft (23). Guillaume de Tyre schreef: „Mensen te voet waren uitgeput en allemaal vielen dikke vrouwen, door de angst van de hitte en het lijden van de dorst, baarden hun kinderen op de weg. Gedurende de dag, op het hoogtepunt van de ellende, vielen er ruim vijfhonderd doden, zowel mannen als vrouwen ”(24).

Wat westerlingen ook verbaast, is de hardheid van de oosterse winters; Een brief van Etienne de Blois aan zijn vrouw Adèle drukt zijn verbazing uit over de hardheid van de Syrische winter: “Ze zeggen dat men in heel Syrië de hitte van de zon nauwelijks kan verdragen. Dit is niet waar, omdat hun winter vergelijkbaar is met onze winters in het Westen (25) ”.

Gidsen en ondersteuning van lokale populaties

De neiging tot de keuze van routes berust bij de leiders van de expeditie. Deze laatsten hebben nog nooit een voet in deze streken gezet en sluiten zich logischerwijs aan bij de diensten van gidsen voor alle pelgrimstochten. Opgemerkt moet worden dat de stad Constantinopel zelf niet zo gemakkelijk te vinden is zonder hulp van buitenaf: zo ziet Peter de kluizenaar zichzelf 'de keizer een goede gids geven, bonets û r, totdat ze komen aan in Constantinopel (26) ”. De Byzantijnen zijn essentiële bondgenoten om ervoor te zorgen dat de kruistocht op zijn beurt hun rijk zou doorkruisen, ook door de gebieden van het Nabije Oosten die tot voor kort onder hun jurisdictie vielen. De Armeense koninkrijken Syrië en Anatolië, het land dat de Seltsjoeken “de Roum” noemen, omvat alle regio's tussen de Zee van Marmara in het noorden, het Taurusgebergte in het zuiden en de Eufraat in het oosten. Deze ruimte is een voormalige keizerlijke provincie waar de Byzantijnen nog maar een paar decennia voor het vertrek van de kruistocht militair opereren.

Vanaf het moment dat de Grieken de kruisvaarders verlieten, konden ze alleen rekenen op de steun van de lokale bevolking, voornamelijk christenen tot in Palestina. Deze laatsten hebben er alle belang bij, afgezien van hun religieuze overtuiging, om zich te verbinden met de kruisvaarders, die de enige militaire macht zijn die in staat is om de Turken te weerstaan. Tijdens een hinderlaag door Turkse elementen op de weg naar Rohez, is het de Armeense gouverneur van een kasteel die de Noormannen redt door hem te verwelkomen in zijn bolwerk.

Veel gidsen melden zich bij het leger om hun diensten aan te bieden. Deze kunnen ook worden gestuurd door stadsbestuurders, soms zelfs moslims (27), die willen dat de kruisvaarders zo snel mogelijk hun land verlaten: “Syriërs kwamen aan bij het leger. De grote mannen riepen hen en smeekten hen om hen de meest directe route te leren. Ze adviseerden hen om verschillende redenen de route langs de zee. De Syriërs gingen voorop om hen te leiden, de deurwaarder van Tripoli (een Arabische moslim) gaf hen een aantal van zijn mensen (28) ”. Bij de belegering van Jeruzalem leert een plaatselijke inwoner hen over het bestaan ​​van een vallei waar ze bomen kunnen vinden die groot genoeg zijn om oorlogsmachines te bouwen, terwijl 'het hun onmogelijk leek de bomen die ze om zich heen hadden te vinden. nodig hebben ". Bij dezelfde belegering zijn het opnieuw de “inboorlingen, inwoners van Bethlehem” die laten zien waar ze beken, bronnen en waterreservoirs kunnen vinden, precies op het moment dat christenen lijden onder een hongersnood.

Een leger om te voeden: een veelzijdige voorraad

De grootste moeilijkheid waarmee de kruisvaarders dagelijks worden geconfronteerd, is de bevoorrading van de troepen, sterk van enkele tienduizenden mannen. Als de soldaten de middelen kennen om voorraden te krijgen op vreemd grondgebied, in het bijzonder door het platteland te overvallen, dan danken de niet-strijders, de eenvoudige pelgrims hun levensonderhoud aan de giften van de bevolking, aan het leger en vooral aan de beschikking van de lekenleiders van de expeditie die het op zich neemt om hen te voeden. In een brief aan zijn vrouw Adèle schrijft Etienne de Blois dat zonder de hulp van de baronnen “en zijn eigen portemonnee” veel arme mensen zouden zijn omgekomen van honger en ellende (29). Ondanks de rivaliteit tussen de verschillende baronnen blijft de naastenliefde die ze tonen een permanent element en een fundamentele factor in het succes van de Eerste Kruistocht.

De tweede manier om voorraden te krijgen, is door voedsel te kopen bij handelaars en lokale mensen. Het voordeel van deze praktijk is dat er commerciële banden kunnen worden gelegd tussen de kruisvaarders en de inheemse bevolking. Tijdens de reis kunnen de kruisvaarders rekenen op de aanwezigheid van kooplieden die het leger bevoorraden, zelfs wanneer het wordt belegerd. De verovering van kustplaatsen, met name diepzeehavens, was voor de kruisvaarders een zekere manier om betrouwbare communicatielijnen te behouden, waardoor kooplieden altijd voorraden konden vervoeren. De keuze van de kustweg na de verovering van Antiochië naar Jeruzalem gaat in deze richting.

Ten slotte kunnen de legers de beslissing nemen om door middel van plundering en overvallen de hulpbronnen van de dorpen en het platteland te veroveren wanneer ze niet langer de mogelijkheid hebben om voorraden van de kooplieden te krijgen, of wanneer ze dat wel zijn. in vijandelijk gebied. Het is ook een drukmiddel voor de kruisvaarders op het diplomatieke middenveld. Als ze voor Beiroet staan, dreigen ze de boomgaarden te vernietigen als de baljuw van de stad hen niet voorziet van de voorraden waar ze om vragen.

In vijandelijk gebied is overvallen de enige manier om in de behoeften van het leger te voorzien. Tijdens de belegeringen van steden werden deze expedities de belangrijkste bezetting van de troepen (30) die een gebied van enkele tientallen kilometers rond de belegerde steden exploiteerden. Deze compagnieën zijn gevaarlijk en veel kruisvaarders worden gedood of gevangengenomen tijdens invallen tot het punt dat ze in Antiochië praktisch opgesloten zitten in hun eigen kamp (31).

Kruisvaarders lijken geen meesters te zijn in de kunst van het logistiek. Bij verschillende gelegenheden gaat het om de "verspilling" die ze van hun voedsel maken. Toen ze in Antiochië aankwamen, vernietigden ze fruitbomen, in het bijzonder appel- en vijgenbomen, "in grote hoeveelheden" om daar hun tenten op te zetten (32). Veel steden, zoals Alexandretta (Iskenderun, in Syrië) die de kruisvaarders met de grond gelijk hadden gemaakt, werden alleen ingenomen in de hoop voorraden te vinden, en niet met een strategisch doel.

Er is nooit sprake van een lange periode van overvloed binnen het kruisvaardersleger. Voedseltekorten, hetzij als gevolg van de nalatigheid van de kruisvaarders of als gevolg van klimatologische gevaren, komen regelmatig voor, en de leiders slagen er nooit in om ze te voorkomen of effectief te beheren. Guillaume de Tyre geeft een idee van de kosten die voedingsmiddelen dan kunnen maken: “Een man maakte zijn maaltijd klaar met twee cent brood. Een koe kostte drie mark zilver, terwijl het aanvankelijk vijf sous kostte. Een lam of een klein jochie, dat we voorheen voor drie of vier denier hadden, kostte zes sous. Paardenvlees werd verkocht voor acht sous. Zo was de prijs van een koe gedaald van vijf naar dertig sous; en dat van een lam van vier tot tweeënzeventig denarii ”. (33) De enorme omvang van deze cijfers komt overeen met die van de Anonieme die een ezel waardeert op honderdtwintig sous in deniers (34).

Ondanks al deze moeilijkheden maakten de kruisvaarders een reis van enkele duizenden kilometers door vijandige landen, zonder het klimaat te kennen dat ze zouden ondergaan, het terrein dat ze moesten doorkruisen en zonder eerder de garantie te hebben gekregen dat ze effectieve ondersteuning op hun achterste bases. Vanuit dit oogpunt kunnen we zeggen dat het succes van de Eerste Kruistocht de vrucht is van een formidabele improvisatie waarvan het doel van de reis wordt bereikt na drie jaar inspanningen.

1 De term kruistocht, cruciata in het Latijn, verschijnt pas rond 1250.
2 Oude vorm om 'kapitein' te zeggen, een term die een bevelvoerende autoriteit aanduidt.
3 Foucher de Chartres, Geschiedenis van de kruistocht, het verslag van een getuige van de eerste kruistocht. 1095-1106., I, p.14.
4 Robert le Moine, I, 3, p.730.
5 Willem van Tyrus, 1, XIV-XV, p.28.6 Willem van Tyrus., 1, XVI, p.29.
7 Baudry de Dol, Historia Jerosolimitana, 1, I, 8; Manuscript van de Bilbiothèque Nationale de France, Arsenal, lat.1101.
8 Foucher de Chartres, History of the Crusade, Cahord, 2002, II, p.17.
9 Lauranson -‐ Rosaz, C., “Le Velay et la croisade”, in de Raad van Clermont van 1095 en de kruistocht, (Proceedings of the International University Colloquium of Clermont -‐ Ferrand (23-25 ​​juni 1095), Rome, 1997, p.51.
10 Jaques Heers, The First Crusade, p.112.11 Michel Balard, "La preparazione economica della crociata", in Il Concilio di Piacenza e le cruciate, Piacenza, 1996, p.193--194.
12 Robert le Moine, 1, II.
13 Jacques Heers, La Première Croisade, p.107-‐112, over de rol van priesters tijdens de kruistocht.
14 Willem van Tyrus, 10, XV, p.345.
15 Als de meeste kroniekschrijvers weinig vertrouwen schenken aan de authenticiteit van deze speer, zijn ze het er allemaal over eens dat hij vanaf deze aflevering een prediker is die naar geluisterd is, en dat totdat hij stierf een paar maanden later, tijdens een beproeving.
16 Willem van Tyrus, 8, XXIII, p.287.
17 Het tweede boek van de kroniek is het verslag van de reis van de "baron" -legers, vanaf hun vertrekpunt naar Constantinopel.
18 Hegenmeyer, Chronologie van de eerste kruistocht, augustus 1096 - mei 1097.
19 Robert uit Normandië ging op 5 april aan boord en arriveert op 9.
20 We geven als een waarschijnlijke schatting het aantal van 60.000 "kruisvaarders" die tussen 1096 en 1097 door Constantinopel trokken.
21 Jean Verdon, Voyager au Moyen Age, p.17.
22 Willem van Tyrus, 2, II, p.53.
23 Het pad loopt door dor land tussen bergen en woestijn.
24 Willem van Tyrus, 3, XVII, p104.
25 Comte Riant in "Inventory of historic letters of the crusades", (1881), p.169.
26 Willem van Tyrus, 1, XVIII, p.33.
27 De kronieken vermelden geen moslimgids op het Seltsjoekse grondgebied, maar de kleine Arabische vorstendommen in Libanon en Palestina dragen grotendeels bij aan de opmars van de kruisvaarders tot aan Jeruzalem.
28 Willem van Tyrus, 7, XXI, p.246.
29 Vertaling overgenomen uit J.F.A. Peyré, Geschiedenis van de eerste kruistocht, aug. Durand, Parijs 1859, vol. 2, blz. 475-‐479.
30 Verschillende kroniekschrijvers spreken over vierhonderd mannen, terwijl de Anonieme expedities voortbeweegt van wel twintigduizend man, ridders en voetgangers. Het is waarschijnlijk dat het eerste cijfer dat naar voren wordt gebracht, die van gebruikelijke expedities zijn, terwijl The Anonymous een buitengewone operatie noemt.
31 Willem van Tyrus zei "dat ze niet langer durfden te gaan plunderen" 4, XVI, p.139.
32 Willem van Tyrus., 4, XIII, p.135.
33 Een pond = twee mark = twintig cent = tweehonderdveertig penningen.
34 Anonieme geschiedenis van de eerste kruistocht, p.77.

Bibliografie

Atlas

- KONSTAM Angus, Historical Atlas of the Crusades, France, Seine, 2009, 192 pagina's.

- RILEY-SMITH Jonathan, uit het Engels vertaald door Camille CANTONI, Atlas des Croisades,
Anders, Parijs, 1996 (1990).

Bronnen

- CHARTRES Foucher de, Histoire de la Croisade, het verslag van een getuige van de eerste kruistocht. 1095-1106, gepresenteerd en aangepast en geannoteerd door M. GUIZOT, Parijs, 1825. Moderne transcriptie door Jeanne MENARD, Cahors, 2002.

- DOL Baudry de, Historia Jerosolimitana, Manuscript van de Bilbiothèque Nationale de France, Arsenal, lat.1101.

- EKKEHARD, Toespraak en prediking van paus Urbain II in Clermont op 27 november 1095 voor de kruistocht, in Hierosolymitana, Rec. van Hist. van cr. Hist. occ. V.

- LE MOINE Robert, Geschiedenis van de eerste kruistocht, J.-L.-J, Brière, Parijs, 1824; trad. Duc de Castries, De verovering van het heilige land door de kruisvaarders, Parijs, Albin Michel, 1973, p.
195-199.

- TYR Guillaume de, Chronicle of the Frankish Kingdom of Jerusalem from 1095 to 1184, book 1, vertaald door Geneviève en René Métais, 1999.

WERKEN

- BALLARD Michel, "La preparazione economica della crociata", in Il Concilio di Piacenza e le cruciate, Piacenza, 1996, p.193-194.

- HEERS Jacques, La Première Croisade, bevrijding van Jeruzalem 1095-1107, Tempus, Parijs, 2002 (1995).

- HEGENMEYER Heinrich, Chronology of the First Crusade 1094-1100, Georg Olms, Duitsland, 1973.

- Lauranson-Rosaz, C., “Le Velay et la croisade”, in de Raad van Clermont van 1095 en de Kruistocht, (Proceedings of the International University Colloquium of Clermont-Ferrand (23-25 ​​juni 1095), Rome, 1997, p 0,51.

- PEYRE J-F-A, Geschiedenis van de eerste kruistocht, aug. Durand, Parijs, 1859, deel 2, p.475-479.

- RIANT Paul Edouard Didier (graaf), Inventaris van historische brieven van de kruistochten, Nabu Press, 2010.

- VERDON Jean, Voyager au Moyen Age, Perrin, Parijs, 2007 (1998).


Video: West England (Januari- 2022).